CultuurNet

Persbericht

klik hier om uw persbericht te plaatsen
Via 'Mijn CultuurNet' kan de alleen de inzender onderstaande gegevens binnen beide rode kaders wijzigen.

Samenvatting van dit persbericht

Schrijver Meurs A.M., Amsterdam
meursam.nl
dinsdag, 22-03-2011
Amsterdam
Share deze pagina

Amsterdam - Dakloze Kitty en de oorlog in Irak, uit Mijn liefde is scharlakenrood van Meurs A.M.

Dakloze Kitty en de oorlog in Irak, uit Mijn liefde is scharlakenrood van Meurs A.M.

Boekenweek

Nieuw fragment uit de roman, het eerste boek in de net gestarte Boekwinkeltjes-reeks, die vrijdag 25 maart om 17.00uur gepresenteerd wordt bij boekhandel Schimmelpennink Amsterdam, volgens onderzoek van NRC-Handelsblad de beste boekhandel van Nederland. Zie ook andere Nieuwsberichten op Cultuurnet met o.a. fragmenten uit Mijn liefde is scharlakenrood.

Afbeelding: achterkant omslag

2003

Kitty.

Monoloog van een zwerfster

Ik kom scheldend en vloekend de trap af. Ik zeg kom en niet ga omdat ik mezelf scheldend en vloekend die brede granieten treden af zie lopen zoals de portier me van beneden die trap af ziet komen. Ik brul, ik ben echt kwaad maar het is tegelijk ook gespeeld, het is heerlijk om het beest in me los te laten, het zelfs aan te moedigen, het beest te voeren. Ik ben toch gek, ik heb geen normen, geen fatsoen, ik ben ongeremd. Ik heb wat ze ook van sommige demente bejaarden of gestoorden zeggen: decorumverlies. Als je dat hebt kun je rustig scheten laten, boeren, je gulp open laten staan, aan je geslacht zitten en aan elkaar zitten en nog veel meer. En ik doe dat ook allemaal, en inderdaad vaak zonder dat ik me ervan bewust ben. Maar niet altijd dus.

Het ging om de krant. Ik heb hem altijd als eerste, want iedereen hier blijft langer in zijn bed liggen ronken dan ik. Maar nu had hem iemand anders, een nieuwe, een die nog niet weet dat ik de krant altijd als eerste heb. Ik wilde hem niet afpakken, ik wilde alleen weten hoe het in Irak was. Eigenlijk wilde ik gewoon weten of er wel een substantiële hoeveelheid Amerikanen in Al-Kut was omgekomen. Want dan was ik tevreden, en dat zei ik ook hardop, want dat er veel Irakezen waren gedood was me via de radio en de televisie wel duidelijk geworden.

Ik zei dus: “Laat me even zien of er wel een substantiële hoeveelheid Amerikanen is omgekomen in Al-Kut.” Ik gebruikte bewust het woord substantieel omdat die politieke zeikers op de tv dat ook zo zeggen. En ik ben wel dakloos maar niet hersenloos, zeg ik altijd. Ik ben ervan overtuigd dat Bush er ook zo naar kijkt. Zo gauw er Amerikaanse slachtoffers vallen geeft hij allereerst opdracht dat er, liefst veel meer, slachtoffers aan Irakese zijde gemaakt moeten worden. Anders zien de Irakezen het als een overwinning en dat is slecht voor de positie van Bush. Bovendien is het makkelijker om Irakese slachtoffers te maken dan om Amerikaanse slachtoffers te voorkomen. Ik zei dus nog een keer hardop: “Er zijn toch zeker substantieel wel flink wat Amerikanen gesneuveld in Al-Kút?” Ik vond het heerlijk dat zo te zeggen. “In Al-Kút?” zei ik. En toen: “Geef me even de krant, want ik wil het weten.” Ik trok een beetje aan de krant, maar zoals ik zei, die jongen was nieuw en kende de gewoontes hier niet en de groepswerker bemoeide zich ermee en zei: “Kitty, laat die jongen met rust!” En toen ben ik vloekend en tierend het trappenhuis in gelopen, want als je toch wilt vloeken en tieren kun je dat beter daar doen want daar klinkt het lekker en hoort iedereen het, op alle verdiepingen.

 

“Godverdommese kuttekoppen, sloeries!” schreeuw ik terwijl ik de trap af loop. Ik ben niet bloeddorstig maar het is oorlog en ik zou niet weten hoe de Irakezen de oorlog alsnog zouden moeten winnen zonder Amerikanen te doden. Want dat doe je toch in een oorlog, de tegenstander doden, of niet? Dat hebben de Amerikanen toch ook gedaan, tienduizenden Irakezen gedood, waaronder heel veel burgers, en zo de oorlog gewonnen. In eerste instantie tenminste. Of zie ik dat verkeerd? Ben ik te simpel? Wedden dat het met al die mooie verhalen van iedereen daar toch op neer komt? Ik geef nog een enorme brul.

“Hé portiertje,” zeg ik op heel andere toon want ik ben nu beneden, “heb je een knaakje voor me?” Het snot loopt uit mijn neus. “Niet hierbinnen,” zegt hij. “Niet hierbinnen,” brouw ik hem na terwijl ik doorloop naar buiten. “Ik wil je ook niet hierbinnen pijpen, gòòòdverdomme.” Dat is niet aardig van me, ik ben er eigenlijk helemaal niet met mijn gedachten bij. Ik hoef helemaal niets te doen om wat van hem te krijgen. Maar niet hierbinnen, daar kan hij niet aan beginnen. Dan kan hij iedereen die naar binnen of naar buiten loopt wel wat geven, dat kost hem een vermogen. En je mag ook niet voor de deur op hem staan wachten. Maar als je hem toevallig op straat tegenkwam, dan zit je goed.

Ik vloek dus ook tegen de portier, maar ik zeg er meteen zacht achter: “Nee hoor, jij bent mijn engel.” Ik weet niet of hij dat gehoord heeft. Hij is ook tegen de Amerikanen in Irak, zoals hij vroeger, net als ik, tegen de Amerikanen in Vietnam was, en om maar iets te noemen: tegen een rotkrant als de Telegraaf. Daar ben ik verkracht, bij de Telegraaf, in 1966, ik was toen nog geen zestien, in een steegje dat schuin uitkwam op de Nieuwezijds Voorburgwal. Er waren rellen, er stonden daar vuilcontainers dicht tegen elkaar aan, ik werd door een marechaussee vanachter omlaag getrokken en gepakt toen ik er overheen probeerde te klimmen. De portier, hij heet T, heeft dat gezien, of gezien eigenlijk niet, meer gehoord, jaren later zat ik stomtoevallig met hem in een actiegroep.

(uit Mijn liefde is scharlakenrood)

 

 

http://reeks.boekwinkeltjes.nl/?persbericht

 

 

 

Home

Is uw website al opgenomen bij CultuurNet? aanmelden